Channa gachua / Burmese dwerg slangenkopvis- Care

Vorige Artikel 3 van 3
Specificatie Omschrijving
Nederlandse benaming Bruine dwergslangenkopvis
Engelse benaming Dwarf snakehead / Blue Bengal
Herkomst Azie
Formaat 11-28cm
pH +- 6-7.5
Gh 4-10
Formaat aquarium 100*40*40

Channa gachua

Het genus met de algemene naam slangenkopvissen (Channa) behoort tot de labyrintvissen. Deze groep kenmerkt zich door het labyrint orgaan dat zich bevind boven de kieuwen. Hierin slaan deze zuurstof op dat aan het oppervlakte gehaald word, gemiddeld eens per 20 tot 30 minuten afhankelijk van de temperatuur en activiteit. Deze aanpassing zorgt ervoor dat de vissen in staat zijn in zeer warm (zuurstofarm) water te kunnen overleven, zoals poelen in het droogte seizoen. Er zijn diverse manieren van voortplanten, de meeste soorten zijn schuimnestbouwers (Goerami’s), Muilbroeders en in minder mate holenbroeders. Sommige labyrintvissen zijn rustige scholenvissen, de Betta splendens, mogelijk een van de meest bekende labyrintvissen en vele andere soorten tolereren echter buiten het broedseizoen geen andere soortgenoten in hun territorium.

Slangenkopvissen hebben van al deze vissen mogelijk de meest bekende reputatie. Er zijn diverse documentaires over deze agressieve rover die in vele wateren invasief is, of ze hier nu uitgezet zijn door hobbyisten vanuit het aquarium of als sportvis, of via de voedselmarkt ontsnapte dieren die zich een weg naar het water gebaand hebben. Het gaat hier veelal om de grote Channa microlepis (Giant snakehead) en Channa marulius (Bullseye snakehead) maar er zijn ook enkele minder grote, zeer aantrekkelijk gekleurde soorten die veelal interessant gedrag vertonen. Zoals de Channa puchra, bleheri, andrao, gachua en vele anderen. In dit artikel gaan we verder in op de soortkennis en verzorging van de Channa gachua, een van de meer variabele soorten van het genus.

 

Uiterlijk: De ‘bruine dwergslangenkopvis’ is een vrij variabele soort, wat overeen komt met hun grote verspreidingsgebied en hierdoor is een eenduidige beschrijving van het uiterlijk lastig. Ook hebben stress, leeftijd en omgeving of tijd van het jaar impact op de kleuren en patroon dat getoond word. Het komt daarmee ook wel eens voor dat een variant of ondersoort als nieuwe soort word verheven, houd hier rekening bij de kweek en probeer lokaliteitvarianten bij elkaar te houden (mits u dit van belang vind). De gemiddelde lengte voor Channa gachua in gevangenschap is 17-22cm. Er zijn berichten van dieren van 36cm maar hier kunnen we weinig bewijs van terug vinden. De basiskleur is een bruin met enige bandering. De vinnen hebben een bruin/gele aanzet welke overgaat in blauw, deze blauwe kleuring is vooral tussen de vinstralen duidelijk te zien. Er is geen patroon zichtbaar op de vinnen. De randen van de aars, rug en staartvin zijn geel of wit, welke word afgescheiden door een zwarte rand. Al heeft de lichaamskleur een bruine basis, veel varianten waarvan de ‘Blue bengal’ het meest bekend kunnen een prachtig blauwe kleur hebben. In en rond de ogen kunnen de dieren een rode kleur tonen. Channa limbata, ooit onderdeel van het ‘gachua complex’ is te onderscheiden door het missen van deze rode kleuring onder de ogen. Het zijn muilbroeders waardoor mannelijke dieren vaak te onderscheiden zijn aan hun iets langwerpige lichaamsbouw en brede kop/bek.

 

Herkomst en natuurlijk habitat: Van wiki: “Iran, Iraq, Afghanistan, Pakistan, Nepal, India, Sri Lanka, Bangladesh, Bhutan, China, Myanmar, Thailand, Laos, Cambodia, Vietnam, Malaysia, Indonesia en Singapore”. Door dit brede verspreidingsgebied kunnen we deze soort mogelijk een van de meest succesvolle soorten noemen als het gaat om aanpassingsvermogen. Waarschijnlijk gaat het hier echter om diverse (onder)soorten welke nauw verwant zijn. Zo word de meest oostelijke populatie tegenwoordig beschreven als Channa limbata, ondanks de uiterlijke overeenkomsten blijkt de populatie in Sri Lanka genetisch duidelijk te onderscheiden te zijn en is nu beschreven als C. kelaartii.

Binnen het verspreidingsgebied is er enige variatie in natuurlijk habitat, van moerassen met een duidelijk droog seizoen tot heldere bosstroompjes worden bewoond. Temperaturen verschillen van 16C of soms lager tot 25C. pH gemiddeld 6. Met een GH van 4-10.

 

Gedrag: Zoals vele slangenkopvissen kan deze Channa zeer territoriaal zijn. Tussen lokaliteitvariant kan dit verschillen. Een nauw verwante soort, de Channa sp ‘Fire and Ice’ kan buiten het kweekseizoen alleen apart gehouden worden. Waar de ‘Blue bengal’ als koppel altijd samen gehouden kan worden. Deze kan ontstaan vanuit een groep. Zodra een koppel ontstaat zullen deze andere soortgenoten en drukke medebewoners niet tolereren.  In het aquarium is het een vis die vooral als jong vrij schuw kan zijn. Als de vissen groter worden en wennen aan hun territorium laten ze zich veel meer zien. Kleine medebewoners zullen als voedsel worden gezien, combineren met rustige vissen van eenzelfde formaat is mogelijk maar deze worden veelal verdreven zodra een koppel hun plek verworven hebben. Bodemactieve vissen als Botia’s, Grondelachtigen en stekelalen worden vaak met rust gelaten, denk er wel aan dat Macrognatus en andere stekelalen een van de natuurlijke vijanden (lees zien de Channa als voeding) zien.

 

Het aquarium: De verzorging van deze vis komt overeen met die van de C. bleheri. Deze vis houd van voldoende schuilgelegenheden, zeker als de man het broed in zijn bek houd. Verlichting is noodzakelijk voor de planten maar zorg voor voldoende schaduwplaatsen. Richt het aquarium in met voldoende vegetatie waaronder drijfplanten, stammen en holen. Geef een substraat van zand en/of donker grind (geen split). Temperatuur in de zomer rond 22-25C, winter rond 16C in de winter. Het aquarium voor een koppel dient 100x40x40cm te zijn. Afhankelijk van het seizoen dient het waterniveau 25cm tot 40cm te meten. Denk eraan dat dit echte springers zijn dus sluit het aquarium goed af voordat de vissen op de grond eindigen.

 

Voeding: Pas de voedingsfrequentie aan gelang het seizoen, in de winterperiode zijn de dieren aanzienlijk minder actief en word er minder tot enkele maanden niet gegeten. Probeer achter de herkomst van uw vissen te komen om de juiste temperaturen en eventuele vastenperiode te kunnen bieden. Het zijn echte roofvissen en kunnen gevoed worden met allerlei soorten ongewervelden, wormen, bloedwormen, artemia, daphnia en ook fruitvliegen, krekels, soms een meelworm en sprinkhanen. Daarnaast worden stukken mossel, garnaal, spiering en diverse carnivoren granulen geaccepteerd.

 

Voortplanting: Muilbroeders.

© 2015 - 2021 Het Terrarium | sitemap | rss | webwinkel beginnen - powered by Mijnwebwinkel